Drie bijzondere lepels

Drie bijzondere lepels

.1.        Absinthlepel:

Het sterke destillaat Absinth (rond 1900 zeer populair in Frankrijk) werd gestookt van o.a. Hysop, Koriander, Venkel, Anijs en Absintium-alsem. Met name deze laatste is een zéér bitter kruid.
Die bitterheid moest, vóór consumptie, wel wat afgezwakt worden. Deze platte, geperforeerde lepel werd op de rand van het glas geplaatst. Op de lepel werd een suikerklontje gelegd. Vervolgens werd eerst de absinth (één deel) en daarna koud water (twee tot vijf delen) in een dun straaltje over de suiker heen in het glas geschonken. De suiker temperde de bitterheid; het water verlaagde het (hoge! 55% tot wel 70%) alcohol-percentage. Absinth werd nooit puur gedronken.

.2.        Ontvetlepel:

Liever alleen de magere jus? Deze sauslepel (+- 1900) bood die keuze. Een schep uit de juskom en een paar tellen geduld…. dan komt het vet vanzelf boven drijven. Vervolgens kon de ontvette jus zó, via het gaatje onderin het schot in de bak van deze lepel worden uitgeschonken. En wilde je juist de volle smaak? Dan schonk je eenvoudig via de andere kant van de lepel. Tegenwoordig zul je hem in geen enkele bestek-cassette meer tegenkomen.. Wat eigenlijk vreemd is, in onze tijd vol angst voor calorieën en vet…

.3.        Medicijnlepeltje:

Wie als kind ooit levertraan als “voedingssupplement” kreeg, weet het: niets ergers dan de onontkoombare dwang van “is goed voor je”, in combinatie met de smaak van een vies medicijn!
Slimme moeders hadden daarom dit medicijnlepeltje in huis: de vloeistof werd door de opening aan het uiteinde van de bak van de lepel direct in de keel gegoten. Contact met de smaakpapillen op de tong werd daarmee overgeslagen. … Dat moet een hoop tranen en trauma gescheeld hebben….!